Roestvast staal is een ijzerlegering, die minstens 11-12% chroom bevat en zo een chroomoxidehuid vormt bij contact met zuurstof, waardoor het materiaal bij intact oppervlak ongevoelig is voor corrosie. Daarnaast bevat RVS ook vaak nikkel en molybdeen. Om het materiaal de gewenste eigenschappen te geven worden ook ,meestal in geringere gehalten, andere legeringselementen gebruikt. Door zijn grote weerstand tegen corrosie vertoont roestvast staal als regel geen roestvorming bij normaal gebruik in de atmosfeer.
Typen roestvast staal: Bij roestvast staal onderscheidt men vijf hoofdgroepen. De eerste drie, die het meest voorkomen, duidt men aan met namen die afgeleid zijn van de metallografische structuur, waarin ze het meest voorkomen:
De twee andere groepen roestvast staal, die vooral voor speciale doel einden zijn: precipitatiehardend en duplex, ze worden hier verder niet behandeld.
Ferritisch roestvast staal
Dit zijn roestvast staalsoorten die chroom als enige hoofdlegeringselement bevatten. Het zijn chroomstalen met een maximum koolstofgehalte van 0,1%. Door dat lage gehalte aan koolstof zijn die chroomstalen niet hardbaar. De ferritische roestvast staalsoorten bevatten 11% tot 17% chroom zonder nikkel en zijn magnetisch. De 17% chroomstalen weerstaan niet aan interkristallijne corrosie bij het lassen. De meest gekende kwaliteit van de ferritische roestvast staalsoorten is de ASTM 430. Die bevat ongeveer 17% chroom. Deze kwaliteit wordt vooral gebruikt voor goedkopere huishoudelijke toepassingen en bekledingen.
Austenitisch roestvast staal:
Dit is de voornaamste groep van de roestvast staalsoorten. Deze groep bevat als hoofdlegeringselement naast chroom ook nikkel en is niet-magnetisch. het voordeel van nikkel is dat de corrosiebestendigheid verbetert. Door het nikkelgehalte zijn de austenitische kwaliteiten bovendien beter te bewerken dan de chroomstalen.
Het meest klassieke chroom-nikkelstaal dat na de eerste wereldoorlog ontworpen werd, is de kwaliteit 18/8 (18% chroom en 8% nikkel). Krupp sprak van het type V2A (Versuch 2 Austenitisch). Eind jaren 50 werd dit type omgevormd tot de meest klassieke en universele kwaliteit AISI 304 (18/8) met 18% chroom en 8% nikkel. De tweede meest gebruikte kwaliteit was de V4A (Versuch 4 Austenitisch) met minimum 2% molybdeen. Eind jaren 50 werd die omgevormd tot de kwaliteit AISI 316 (18/10/2,5) met 18% chroom, 10% nikkel en 2,5% molybdeen. Deze roestvast staalsoort heeft als eigenschap een verhoogde putcorrosiebestendigheid tegen verschillende zuren, en doet het ook goed in de nabijheid van de zee (chloriden enz.)
Zij vormen de groep van klassieke (goed lasbare) roestvast staalsoorten voor aanwending in chemische installaties, in de voedings-, de papier-, farmaceutische- en de automobielindustrie. De AISI 304 en de AISI 316 vertegenwoordigen ongeveer 65% van de wereldproductie.
Martensitische roestvast staal
Dat zijn roestvast staalsoorten die net als de ferritische, chroom als hoofdbestanddeel bevatten. In tegenstelling tot de ferritische bevatten die chroomstalen een koolstofgehalte tussen de 0,2% en 1,1%. Door zijn hoog gehalte aan koolstof is dat de enige groep roestvast staal waarvan verschillende kwaliteiten kunnen gehard worden. Deze martensitische soorten met 13% tot 17% chroom worden gebruikt voor assen, pompen en messen in roestvast staal die een hogere hardheid vereisen. Er bestaan op dit ogenblik geen roestvast staal kwaliteiten met een hogere hardheid dan de martensitische.